Er zijn zo van die boeken die moed geven. Ook in donkere tijden van wapengekletter, oprukkend racisme, mensonwaardige behandeling van vluchtelingen en almaar frequentere rampen als gevolg van de klimaatontregeling. De meeste mensen deugen van Rutger Bregman is zo’n boek. Het laat zich samenvatten als een pleidooi voor een optimistisch mensbeeld en dit op basis van zowel wetenschappelijk onderzoek als een aantal hartverwarmende verhalen over hoe mensen handelen in concrete situaties. De wijdverbreide opvatting over de mens als een van nature egoïstisch wezen is aan Bregman niet besteed. Dat egoïsme is ons aangeleerd, schrijft hij. Het zit in onze natuur het goede te doen. Menselijk gedrag in noodsituaties of bij rampen bewijst dat, vaak tegen de verwachting in.

De meeste mensen delen de verwachting dat er weinig nodig is om het slechte in de mens de bovenhand te geven. Ze hebben trouwens de indruk dat de realiteit van wat er gebeurt in de wereld hen voortdurend gelijk geeft. Hoe komen we aan die opvatting? Een deel van het antwoord ligt volgens Bregman in de dagelijkse confrontatie met het nieuws, de almaar intensere en frequentere sensatiestroom van schokkende feiten, gruwel en rampen, die ons met een vertekend beeld van de realiteit opzadelen. Het maakt dat mensen gaan wantrouwen, zich onveilig voelen en zich vijandig opstellen in situaties die daar geen aanleiding toe geven. Dat mensen van nature egoïstisch zijn wordt bovendien al eeuwenlang onderwezen door godsdiensten en grote denkers. Heelder instituten, wetstelsels, onderwijssystemen en machtsstructuren gaan ervan uit. Geen wonder dat we het op de duur ook gaan geloven.

Dat geloof houdt in het licht van recente wetenschappelijke ontdekkingen geen stand. Onderzoek naar de oorsprong van de mens toont aan dat de homo sapiens kon overleven door samen te werken, van elkaar te leren en elkaar te vertrouwen. Kortom door vriendelijk te worden. De mens werd de homo puppy, een wezen dat weerbaarder werd door zich open te stellen en te verbinden. Samenwerking speelde een veel grotere rol in de evolutie van het menselijk leven dan strijd en concurrentie. Zolang de gemeenschap er een was van jagers en verzamelaars werden de onderlinge verhoudingen geregeld door een soort natuurlijke democratie, die leiding en gezag toekende vanuit de gezamenlijke noden van de gemeenschap.  Pas met het ontstaan van de landbouw en het privébezit ontstonden machtsstructuren die zich met geweld consolideerden en processen van uitbuiting en onderwerping in het leven riepen. Kortom, het is de Franse filosoof Rousseau die van Bregman gelijk krijgt met zijn geloof in de natuurlijke goedheid van de mens die door de beschaving is aangetast, en niet de Britse wijsgeer Hobbes, die het omgekeerde geloofde, namelijk dat het dankzij de beschaving is dat de mens zich kan verheffen boven zijn natuurlijke instincten.

Vooral extreme toestanden zouden moeten bewijzen dat mensen hun laagje fatsoen makkelijk kwijtraken: situaties van overleven, rampen en oorlogen, maar ook experimenten die proefpersonen de grens van medemenselijkheid ver laten overschrijden door ze in een daartoe uitnodigende context te plaatsen. Het Stanford Prison Experiment van psycholoog Philip Zimbardo bijvoorbeeld dat brave studenten in monsters zag veranderen of het bekende experiment met de elektrische schokmachine van Stanley Milgram. Van de rotsvaste conclusies uit deze experimenten over ‘onze oerstaat’ blijft intussen zo goed als niets over. Bregman doet uitvoerig verslag van het rammelend en manipulerend karakter van deze onderzoeken, die ‘bewezen’ wat men bewijzen wilde, terwijl elementen die tot andere conclusies leidden werden verzwegen of vervalst. Ze kunnen in de prullenmand, hoeveel geleerde boeken en artikels er ook aan zijn gewijd.

Niet alleen testen en experimenten – Bregman bespreekt er verschillende – tonen intussen aan dat de mens van nature naar het goede neigt, ook het reële leven toont overvloedig aan dat de neiging tot  eerlijkheid, vriendelijkheid, samenwerking, solidariteit, hulpvaardigheid en afkeer van geweld des mensen is. Soldaten die doen alsof ze schieten en met Kerst uit de loopgraven klimmen om te verbroederen met de vijand. De Deense bevolking die in 1943 op het bericht van de nakende Jodenrazzia collectief in actie schoot en erin slaagde bijna alle bedreigde medeburgers te laten vluchten of onderduiken. Omstaanders die in Amsterdam het water inspringen om een vrouw en haar kind uit een zinkende auto te redden. Een sterk verhaal is dat van de moord op Kitty Genovese, een vrouw die in 1964 door messteken werd gedood terwijl – zoals The New York Times kopte – 37 omwonenden die het zagen gebeuren nalieten de politie te bellen. Het werd wereldnieuws en het zoveelste bewijs van de apathie en onverschilligheid in de moderne grootstad. Alleen, het verhaal van de krant klopte niet. De politie was wel verwittigd, verschillende keren zelfs, en Kitty stierf in de armen van haar buurvrouw. Een waarheid die pas jaren later werd bovengespit door een amateurhistoricus. De politie faalde en de krant vertekende wat er was gebeurd. Terwijl de gewone mensen deden wat moest gedaan.

Dat we het negatieve mensbeeld zo hardnekkig blijven volhouden is desastreus, want het werkt als een nocebo. Een nocebo zorgt ervoor, in tegenstelling tot een placebo, dat we de ziekte oproepen omdat we erin geloven. Met andere woorden: “als we geloven dat de meeste mensen niet deugen, gaan we elkaar zo behandelen.” De homo puppy is, de geschiedenis bewijst het, tot de wreedste dingen in staat. Waarom doen  van nature goede mensen niettemin slechte dingen? Bregman verdiept zich in het probleem van de macht. Hoe ze ontstaat, zich weet te consolideren en vooral hoe ze corrumpeert. Macht steunt namelijk op het negatieve mensbeeld dat we sinds de Verlichting hanteren, in de overtuiging dat de menselijke rede instituties en structuren kan scheppen die onze natuurlijke instincten onder controle houden. Machthebbers slagen er ook makkelijker in mensen tegen elkaar op te zetten naarmate de afstand tot de anderen groter wordt. Onze neiging tot solidariteit en hulpvaardigheid wordt kleiner als het gaat over mensen in nood die we niet zien. Zoals het ook makkelijker is vijandbeelden te ontwikkelen als de ander een anoniem en abstract begrip wordt. Generaals doden vanop grote afstand.

Of het anders kan? Daar is Bregman absoluut van overtuigd. De realiteit bewijst het immers. Kinderen worden creatiever en ontwikkelen zich sneller in scholen die hen grote vrijheid geven over hun leertraject. Organisaties werken efficiënter als werknemers worden aangesproken op hun intrinsieke motivatie, ze grote vrijheid krijgen om hun werk te regelen en mee kunnen beslissen. Steden en gemeenten die burgers laten beslissen over de begroting en de besteding van de budgetten worden eilanden van goed bestuur, wars van corruptie en cliëntelisme. Doorwinterde racisten verliezen hun fanatieke zelfzekerheid als ze niet agressief benaderd worden, maar als gewone mensen, gevoelig voor menselijk contact. Gevangenissen zonder cellen en prikkeldraad, waar gedetineerden zich gerespecteerd voelen en op hun talenten worden aangesproken, zorgen voor betere integratie na de straftijd en een daling van de recidivecijfers. Dit zijn geen ideaalbeelden, maar concrete voorbeelden van werkelijk bestaande initiatieven. Van de Stichting Buurtzorg van Jos de Blok in Nederland, over begrotingsgesprekken in een Venezolaanse gemeente en open gevangenissen in Noorwegen tot een witte Apartheidsfanaat op bezoek bij Nelson Mandela. Straffe verhalen. Omdat ze telkens bewijzen dat het werkt. Vrijheid geven, creativiteit en motivatie stimuleren, vertrouwen schenken, uitgaan kortom van dat andere mensbeeld: dat de meeste mensen deugen.

En toch. Er is één grote lacune in het boek van Bregman en dat is inzicht in het systeem. Hij noemt zich realist maar in feite is hij door en door een idealist, en wel in de letterlijke zin van iemand die denkt dat het volstaat een idee – een fout mensbeeld – te veranderen om de samenleving ingrijpend te wijzigen. Het is opmerkelijk dat in een boek waarin het wemelt van namen van geleerden, filosofen en wetenschappers één naam ontbreekt: Karl Marx. Terwijl net die de werking van het systeem – het kapitalisme – heeft blootgelegd. Veel kwalijk gedrag (uitbuiting, wreedheid, racisme, …) is systemisch, dat wil zeggen dat het het systeem is dat mensen in machtsposities, aan de top van de economische en politieke wereld, beslissingen laat nemen en standpunten innemen die allesbehalve deugen. En wel wetmatig, volgens mechanismen die we moeten begrijpen, waarvan we de werking moeten inzien en die we bewust moeten willen veranderen. We kunnen van Bregman veel leren om onze omgang met de medemens aangenamer en vruchtbaarder te maken. We kunnen er de energie uit putten om in de eigen omgeving ook een alternatief eiland te creëren. Maar inzicht in hoe het systeem werkt moeten we bij hem niet zoeken. Hij kondigt zijn pleidooi voor een positief mensbeeld aan als revolutionair en staatsgevaarlijk, maar eigenlijk kleurt hij netjes binnen de lijnen.

We hebben niet alleen een ander mensbeeld nodig, we hebben ook een ander systeem nodig. Een dat de economie niet langer laat draaien voor privébelangen, voor de absurde ophoping van rijkdom aan de ene kant ten koste van poelen van armoede en ellende aan de andere kant. Dat verband, dat systemisch is, is aan Bregman niet besteed. Hij heeft het vaak over armoede en criminaliteit, maar nooit over de fundamentele oorzaken daarvan. Stel dat het economisch systeem in functie zou staan van de behoeften van de gemeenschap en iedereen een fatsoenlijk inkomen zou garanderen, zou dat niet een veel spectaculairdere daling van armoede- en criminaliteitscijfers opleveren? De armoedecijfers waren nog nooit zo laag en ze dalen nog voortdurend, schrijft Bregman. Zeer juist, maar haal China uit het plaatje – dat nota bene een ander economisch systeem heeft – en dan ziet de zaak er heel wat minder rooskleurig uit. Hoe kunnen die Chinezen dat? Niet alleen doordat ze deugen’, denk ik.

In Bregmans woordenschat komen de woorden klasse en klassenbelangen niet voor. Hij poneert zijn pleidooi voor een ander mensbeeld als een bevrijdende boodschap voorbij links en rechts. Hij gaat er van uit dat het bestaande systeem door gedragsverandering en een ander mensbeeld van binnenuit kan veranderen naar een systeem van minder individualisme en meer gemeenschappelijkheid, van minder concurrentie en meer solidariteit. Hij spreekt in dat verband over communisme, uiteraard niet dat van Stalin en Mao, maar als een terugkeer naar de filosofie van de commons, de gemeenschappelijke gronden die van iedereen en niemand waren. Mensen delen al heel veel met elkaar en doen dat graag. Met een positief mensbeeld zullen we dat vanzelf nog veel meer doen, is de boodschap. Niet voor niets eindigt zijn boek met tien leefregels voor individueel gebruik (‘bij twijfel, ga uit van het goede’, ‘Probeer de ander te begrijpen ook als je geen begrip hebt’, ‘vermijd het nieuws’, enzovoort).

Raadgevingen die het dagelijkse leven een stuk aangenamer kunnen maken, maar niets veranderen aan het globale systeem. En doen wegdromen van wat we in de strijd voor een andere samenleving zeker zo hard nodig hebben als een positief mensbeeld. Inzicht in de structuren en mechanismen die maken dat – terwijl er genoeg is voor iedereen – sommigen absurd rijk worden en anderen in nood leven, moed om aan de kant van die laatsten te gaan staan en samen een georganiseerde tegenmacht te vormen in de strijd voor een systeem dat deugt.